Lateraal Collateraal Ligament (LCL)

De knie heeft een aantal structuren die zorgen voor statische en dynamische stabiliteit. De Laterale Collaterale Ligament (LCL) ofwel de laterale collateraal band is één van die structuren. De LCL hecht aan de laterale epicondyle en insereert op het proximale gedeelte van de fibula, het caput fibula.

De structuren aan de laterale zijde hebben als hoofddoel om stabiliteit te bieden aan een varus beweging en aan een exorotatie van de knie1. De LCL bereikt een maximale spanning in een geextenseerde knie en dient als de primaire restraint van een varus beweging tussen 5 en 25 graden flexie2. Voorbij de 30 graden flexie komt de LCL progressief minder op spanning. Vanwege de ligging van de LCL, behoudt de LCL gedurende een flexiebeweging zijn stabiliserende rol bij een exorotatie beweging.

Schade aan de LCL blijkt bij 15 graden knieflexie een toegenomen varus beweging als gevolg te hebben van ongeveer 5mm1.

Om in de praktijk de LCL op haar integriteit te testen, wordt de Varus stress test uitgevoerd. Het te onderzoeken been wordt in 25 graden flexie gebracht. Het onderbeen wordt vanaf lateraal omvat en geeft druk naar mediaal. De andere hand omvat de knie aan de mediale zijde en geeft een druk naar lateraal. De LCL zal hierbij op spanning gebracht worden. De bewegingsuitslag van het aangedane been wordt vergeleken met het niet-aangedane been. Gekeken wordt naar de mate van laxiteit of ‘spouwen’ en of er pijn provocatie optreedt.

 

1. Bowman KF Jr. en Sekiya JK. Anatomy and Biomechanics of the Posterior Cruciate Ligament, Medial and Lateral Sides of the Knee. Sports Med Arthrosc Rev. 2010; 18: 222–229

2. Petersen W, Loerch S, Schanz S, et al. The role of the posterior oblique ligament in controlling posterior tibial translation in the posterior cruciate ligament-deficient knee. AJSM. 2008; 36: 495–501

© B. Poot & L.C.A. van Gaalen, 2012