Motorisch leren: Differentieel leren

Een definitie van motorisch leren is de volgende: leren is ‘een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving’ (naar lezingen van Peter Beek).

Vroeger, maar ook in de huidige sportpraktijk wordt bij het aanleren van (nieuwe) motorische vaardigheden vaak gebruik gemaakt van het herhalen van een ideale beweging. De gedachte is, hoe vaker de ideale beweging herhaald wordt, hoe beter men in die beweging wordt. Het herhaaldelijk repeteren van de ideale beweging (traditioneel leren) wordt ook wel drillen genoemd. Uit onderzoek van Bernstein (1967) naar het slaan van een spijker met een hamer door een getrainde Smit, komt naar voren dat geen enkele beweging exact hetzelfde uitgevoerd werd, terwijl het doel gelijk bleef. Bernstein concludeerde dan ook dat twee bewegingen met hetzelfde doel, niet exact hetzelfde worden uitgevoerd (Bernstein, 1967). Daarnaast zijn ook individuele verschillen in het uitvoeren van bewegingen bekend. Als het niet mogelijk is om exact dezelfde beweging te reproduceren, waarom zou je dan de ideale beweging trainen?

Op het gedachtegoed van Bernstein is de Duitse onderzoeker dr. Wolfgang Schöllhorn verder gegaan. Hij heeft een theorie gepositioneerd met de naam ‘Differentieel Leren’.

Wat is differentieel leren?

De onderbouwing van Differentieel leren komt uit de dynamische systeemtheorie, waarin wordt gesteld dat leren slechts kan bestaan door de interactie tussen het organisme en de omgeving. De ontwikkelingsprocessen zijn daarbij zelf-organiserend, dit dankzij een continue wisselwerking tussen het organisme en de omgeving. Er is daarbij sprake van een complex systeem. D.m.v. attractoren evolueert een complex systeem spontaan naar diens geprefereerde toestand, ook wel attractor genoemd. Dit gebeurt spontaan, als resultaat van de dynamica van alle op het systeem inwerkende factoren. Door perturbaties ofwel verstoringen kan het systeem naar een andere attractortoestand drijven. Differentieel leren is een voorbeeld van een zelf organiserend systeem dat zich ontwikkeld door heel veel (extreme) variaties.

Differentieel leren gaat er vanuit dat individuele verschillen in bewegingsuitvoering onvermijdelijk en essentieel zijn om te leren. Variaties tussen uitvoeringen zijn noodzakelijk om het brein uit te dagen en effectief te leren. De reden hiervan is dat verschillende bewegingsuitvoeringen verschillende essentiële parameters van de beweging opleveren, die het brein uitdagen tot het vinden van een optimale oplossing (Schöllhorn, 1999). Kortom, de uitdaging voor het brein is gelegen in variatie.

Een bekende uitspraak van Schöllhorn is: ‘Nie das richtige trainieren, um richtig zu spielen’ (Schöllhorn, Sechelmann, Trockel en Westers, 2004). De onderbouwing van differentieel leren ligt in het feit dat het leren een zelf organiserend proces is. De optimale bewegingsuitvoering wordt niet van buitenaf opgelegd, maar ontwikkeld zich autonoom op een voor de individu kenmerkende wijze (Beek, 2011).

Differentieel leren in de praktijk

Voor het aanbrengen van variatie zijn er drie aangrijpingspunten: de taak, de omgeving en het individu (Beek, 2011). Neem bijvoorbeeld het putten van het golfen. Tijdens het oefenen van deze motorische vaardigheid kan gevarieerd worden in de taak door te putten met een honkbalknuppel, met een Houten één of een putter. Er kan ook gevarieerd worden in de aanloop naar het putten toe, door bijvoorbeeld eerst een pirouetje te draaien, of eerst in de handen te klappen alvorens te putten. Variatie in de omgeving kan aangebracht worden door bijvoorbeeld te putten vanaf een opstapje of te putten op straatstenen. Variaties van de golfputter zelf kunnen bijvoorbeeld worden toegepast door vermoeidheid.

 

Beek P.J. (2011). Nieuwe, praktische relevante inzichten in techniektraining. Motorisch leren: het belang van random variaties in de uitvoering (deel 5). Sportgericht, 6, 30-35.

Bernstein N.A. (1967). The coordination and regulation of movements. Pergamon press: London.

Schöllhorn W. (1999). Individualität – ein vernachlässigter Parameter? Leistungssport, 29, 5-12.

Schöllhorn W, Sechelmann M, Trockel M & Westers R (2004). Nie das Richtige trainieren, um richtig zu spielen. Leistungssport, 5, 13-17.

 

© B. Poot & L.C.A. van Gaalen, 2012